Handhaving op schijnzelfstandigheid: wat zzp'ers en opdrachtgevers moeten weten

De Belastingdienst is een periode van actieve handhaving gestart op wat in de praktijk schijnzelfstandigheid wordt genoemd: situaties waarin iemand op papier als zelfstandige werkt, maar in de dagelijkse praktijk feitelijk functioneert als werknemer. Voor opdrachtgevers die veel met zzp'ers werken, en voor zelfstandigen die structureel voor dezelfde opdrachtgever aan de slag zijn, kan dit ingrijpende gevolgen hebben. Genoeg reden om op een rij te zetten waar de grens ligt en wat er op het spel staat.

Wat is schijnzelfstandigheid precies?

Van schijnzelfstandigheid is sprake wanneer een arbeidsrelatie op papier is vormgegeven als een overeenkomst van opdracht, terwijl de werkelijke invulling van die relatie eigenlijk overeenkomt met een arbeidsovereenkomst. Het etiket "zzp'er" verandert dan niets aan de fiscale en arbeidsrechtelijke kwalificatie: niet de titel van het contract is bepalend, maar de manier waarop partijen de samenwerking in de praktijk hebben ingericht. Dat maakt handhaving lastig, maar ook onvermijdelijk, omdat de financiële prikkel om een arbeidsrelatie als opdracht te verpakken voor beide partijen aanzienlijk kan zijn.

Welke signalen wijzen op een verkapte arbeidsrelatie?

Er bestaat niet één doorslaggevend criterium, maar een aantal kenmerken keert in de rechtspraak en in het handhavingsbeleid steeds terug. Werkt iemand feitelijk onder gezag van de opdrachtgever, in die zin dat instructies worden gegeven over hoe het werk moet worden uitgevoerd en niet alleen over het gewenste resultaat? Is de zzp'er verplicht het werk persoonlijk te verrichten, zonder reële mogelijkheid om zich te laten vervangen door iemand anders? Werkt de persoon op een vaste plek, volgens vaste tijden die door de opdrachtgever worden bepaald? En is de relatie, structureel bezien, feitelijk niet te onderscheiden van die met een reguliere werknemer, bijvoorbeeld omdat de zzp'er al jarenlang exclusief voor dezelfde opdrachtgever werkt en volledig is ingebed in de organisatie? Hoe meer van deze elementen aanwezig zijn, hoe groter het risico dat de Belastingdienst de samenwerking herkwalificeert als dienstbetrekking.

Wat kan de Belastingdienst doen bij een geconstateerde schijnconstructie?

Wanneer bij controle blijkt dat sprake is van schijnzelfstandigheid, beperkt de Belastingdienst zich niet tot een waarschuwing. De opdrachtgever kan geconfronteerd worden met correcties, naheffingen van loonheffingen over de periode waarin de arbeidsrelatie feitelijk als dienstbetrekking moet worden aangemerkt, en boetes bovenop die naheffing. Afhankelijk van de duur van de samenwerking en het aantal betrokken zzp'ers kan dit voor een opdrachtgever oplopen tot aanzienlijke bedragen, nog los van de reputatieschade en de onrust die een dergelijk onderzoek met zich meebrengt.

Wet VBAR: verduidelijking per 1 juli 2026

Om de beoordeling van arbeidsrelaties minder afhankelijk te maken van losse jurisprudentie, is de Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties in voorbereiding. Deze wet, die is beoogd per 1 juli 2026 in werking te treden, moet de criteria voor het onderscheid tussen werknemer en zelfstandige explicieter vastleggen, zodat opdrachtgevers en zelfstandigen vooraf beter kunnen inschatten hoe hun samenwerking fiscaal en arbeidsrechtelijk wordt gekwalificeerd. De wet verandert niets aan de kern van de toets, gezag, persoonlijke arbeid, en feitelijke inbedding blijven de leidende factoren, maar biedt wel een steviger juridisch kader waarop de handhavingspraktijk zich kan baseren.

Gevolgen voor opdrachtgevers en zzp'ers

Voor opdrachtgevers is het raadzaam om niet alleen de zzp-overeenkomst zelf, maar vooral de feitelijke werkwijze kritisch te laten toetsen. Een goed opgestelde overeenkomst biedt weinig bescherming als de praktijk op de werkvloer een ander beeld laat zien. Het kan lonen om structureel te beoordelen of de manier van aansturen, de mate van vervangbaarheid en de duur van de samenwerking nog passen bij een opdrachtrelatie, of dat bijsturing nodig is om het risico op herkwalificatie te beperken.

Voor zzp'ers zelf werkt een verkeerde kwalificatie niet alleen in het nadeel van de opdrachtgever. Wie feitelijk als werknemer heeft gefunctioneerd, kan bij een herkwalificatie ook zelf aanspraak maken op werknemersrechten, met terugwerkende kracht. Denk aan doorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming of pensioenopbouw over de periode waarin de arbeidsrelatie feitelijk als dienstbetrekking moet worden beschouwd. Daarmee is het onderwerp niet uitsluitend een fiscale kwestie voor opdrachtgevers, maar raakt het rechtstreeks aan de rechtspositie van de zelfstandige.

Vooruitkijken

De aangekondigde handhaving en de komst van de Wet VBAR maken duidelijk dat de overheid inzet op meer duidelijkheid, maar ook op strengere toetsing van arbeidsrelaties die als zzp-opdracht zijn vormgegeven. Voor wie hierover twijfelt, is het verstandig om tijdig juridisch advies in te winnen, zowel over de contractuele vormgeving als over de feitelijke uitvoering van de samenwerking. Meer achtergrond over deze onderwerpen is te vinden op de rechtsgebied-pagina arbeidsrecht en op ondernemingsrecht.

Noor Veldkamp
Noor Veldkamp
Hoofdredacteur bij Stein Advocaten